Kwartaal Nieuwsbrief

Gastartikel: Invloed belastingmaatregelen


Box 3 heffing: same old same old

December is altijd een maand waarin iedereen het druk heeft. Privé en zakelijk. Dit is voor een fiscalist niet anders. Hoewel, afgelopen december was het op zakelijk gebied extreem druk. Dit had onder andere te maken met de steeds groter wordende behoefte om belastingheffing in box 3 te voorkomen. Wat is de huidige stand van zaken in box 3 en hoe kan een heffing in box 3 worden voorkomen?

Stand van zaken

Belastingheffing in box 3 is in 2001 geïntroduceerd om een robuuste heffing voor de overheid te creëren. De heffing werd gebaseerd op een forfaitair rendement van 4% en een belastingtarief van 30%. Het gekozen forfaitair rendement was gebaseerd op het toen geldende risicoloze rendement van staatsobligaties. Aanvankelijk was box 3 een “pretbox” daar de werkelijk behaalde rendementen in box 3 hoger waren dan het effectieve belastingtarief. Gaandeweg veranderde de situatie in box 3. Zo veranderde de wetgeving voor box 3. In 2017 werd bijvoorbeeld een progressief forfaitair rendement ingevoerd. Dit was realistischer immers door het progressieve karakter werd op een globale wijze rekening gehouden met het feit dat bij een hoger vermogen een hoger rendement kan worden gerealiseerd. Niet alleen de wetgeving veranderde, maar ook de economische situatie. Door een aantal crisissen is het werkelijk behaalde rendement (lees rente) namelijk sterk gedaald. Sterker nog op 13 januari 2020 kondigde de ABN-AMRO aan om haar spaarrente te verlagen naar nihil. Box 3 lijkt derhalve nu allesbehalve een “pretbox”.

Weinig tot geen rendement en toch een aanzienlijke heffing leiden ertoe dat vanaf 2014 actie werd ondernomen tegen de wijze waarop in box 3 belasting werd geheven. Vanwege het grote aantal bezwaarschriften werd de procedure, aangespannen door de Bond van Belastingbetalers, aangemerkt als ‘massaal bezwaar’. Dit betekent dat de uiteindelijke uitkomst van de procedure voor iedereen geldt. Alle inspanningen leidden ertoe dat op 14 juni 2019 de Hoge Raad oordeelde dat het forfaitaire rendementspercentage van 4% voor de jaren 2013 en 2014 te hoog was (het gerechtshof Den Haag heeft inmiddels geoordeeld dat dezelfde conclusie voor 2015 geldt). De uitspraak betekent niet dat iedereen zijn/haar belastingheffing over box 3 terugkrijgt. De Hoge Raad oordeelde namelijk tevens dat het aan de wetgever is om daar iets aan te doen. De rechter kan slechts ingrijpen als een individuele belastingplichtige geconfronteerd wordt met een buitensporige last. Dat is zelden het geval omdat de heffing in box 3 moet worden bezien in samenhang met de gehele financiële situatie, dus ook het inkomen in box 1 en box 2.

De uitspraken hebben er wel toe geleid dat de druk op de overheid is toegenomen om actie te ondernemen. Mede daarom is in september 2019 een nieuw stelsel voor box 3 vanaf 2022 aangekondigd. In het nieuwe stelsel worden de bezittingen in box 3 verdeeld in twee assets, namelijk enerzijds ‘spaargeld’ en anderzijds ‘overig vermogen’. Beide assets worden belast op basis van een nieuw forfaitair rendement (welke gebaseerd is op werkelijk behaalde rendement). Voorgesteld is om vooralsnog voor de asset ‘spaargeld’ een forfaitair rendement te nemen van 0,09%. Voor de asset ‘overige vermogen’ geldt een forfaitair rendement van 5,33%. Voorgesteld is om bij het vaststellen van het belastbaar inkomen in box 3 een forfaitaire rente van 3,03% in verband met box 3 schulden in mindering te brengen op het berekende forfaitaire rendement over het ‘spaargeld’ en ‘overig vermogen’. Over de eerste € 400 forfaitair rendement (in geval van fiscale partners geldt een bedrag van € 800), is geen box 3 heffing verschuldigd. Het meerdere forfaitair rendement wordt wel belast, namelijk tegen een tarief van 33% (let wel, 3% meer dan het oude tarief!). Voor de duidelijkheid, het hiervan geschrevene is aldus het kabinet richtinggevend van aard. Het is dus hoe dan ook verstandig om de definitieve wetsvoorstellen af te wachten.

Het nieuwe stelsel is niet geheel duidelijk. In hoeverre is het bijvoorbeeld mogelijk om de ene asset te verwisselen voor de andere? De wetgever heeft aangekondigd om het “asset-hoppen” te gaan ontmoedigen. Grote kritiek blijft dat ook in het nieuwe stelsel uitgegaan wordt van forfaitaire bedragen. Spaarders worden weliswaar vooralsnog ontzien echter defensieve beleggers zullen het forfaitaire rendement wederom aanvechten. Overigens is men ondertussen nog steeds bezig met de uitspraak van de Hoge Raad. Denk daarbij aan de het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Daarnaast onderzoekt ook de Tweede Kamer het één en ander (parlementair advocaat). Het kabinet heeft inmiddels aangegeven dat zij het advies van deze parlementaire advocaat (financiële genoegdoening als de belastingheffing inderdaad in strijd is met het Europees verdrag voor de Rechten van de Mens) niet zomaar zal overnemen.

VOORKOMEN VAN BELASTINGHEFFING

Vooruitlopend op een eventuele wetswijziging krijgen wij steeds meer verzoeken om mee te werken aan het voorkomen van box 3 heffing. Daarbij spelen ons inziens twee zaken.

  • Ten eerste is het maar de vraag of voorkomen van heffing in box 3 voordelig is. Dat is namelijk niet altijd het geval. Van belang voor de afweging is het te behalen rendement van het desbetreffende vermogen. Zie onderstaande grafiek. Voor het groene gedeelte geldt dat het voorkomen van belastingheffing in box 3 niet voordelig is. Het voorkomen van belastingheffing in box 3 is aan te raden voor het gele gedeelte als het minimaliseren van de belastingdruk het uitgangspunt is. Dus voor vermogens van laten we zeggen meer dan € 1.000.000, geldt dat bij een te verwachten rendement van meer dan 4,16%*, belastingheffing het beste via box 3 kan verlopen. Is het rendement op dit vermogen lager, dan kan dit vermogen het beste aangehouden worden in een BV.
  • Ten tweede aandachtspunt is de vraag of en in hoeverre het voorkomen van belastingheffing in box 3 ethisch verantwoord is. Wij ontlopen onze verantwoordelijkheid hierin niet en voeren graag deze discussie (al dan niet met onze cliënten). Echter in deze bijdrage gaan wij daar niet op in.

Hoe dan ook, het voorkomen van belastingheffing in box 3 is helemaal niet zo moeilijk om zelf te regelen. Het voorkomen van belastingheffing kan als volgt: op bijvoorbeeld 28 december van enig jaar (jaar 1) wordt het (overtollige) box 3 vermogen ingebracht in een BV. Het inbrengen van vermogen is geen belaste actie. Het gestorte vermogen verblijft vervolgens minimaal een jaar in de BV. Op bijvoorbeeld 2 januari van jaar 3 wordt het gestorte bedrag door de BV terugbetaald (al hoeft dat natuurlijk niet; dit kan ook op een later moment). Als dit op een goede wijze plaats vindt, volgt eveneens geen heffing. Het vermogen maakt vanaf 2 januari van jaar 3 weer onderdeel uit van box 3 maar het kan op elk willekeurig moment (bijvoorbeeld 28 december van jaar 3) wederom via een inbreng in een BV worden gestort. Het effect van het hiervoor geschrevene is dat heffing in box 3 wordt voorkomen.

De terugbetaling van het vermogen dient overigens formeel via een notaris geregeld te worden. Dat geldt niet voor de inbreng van het vermogen in een BV (al mag dat wel). Het aangekondigde nieuwe stelsel brengt overigens geen verandering mee ten aanzien van de hiervoor weergegeven mogelijkheid om belasting in box 3 te voorkomen. Het omslagpunt (de grens tussen het groene en gele gedeelte) zal wel veranderen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kortom

Het nieuwe stelsel voor box 3 zal in vergelijking tot het huidige stelsel dezelfde problemen opleveren. De verwachting is dat met name defensieve beleggers het forfaitaire rendement aanvechten. Er verandert dus eigenlijk niet zoveel. Daarbij komt dat als de belastingdruk in box 3 wordt ervaren als te hoog, belastingheffing nog steeds kan worden voorkomen door deze te storten in de BV. Vermoedelijk zullen wij in december 2020 wederom verzoeken krijgen om privévermogen te storten in (nieuw opgerichte) B.V.’s. Een hoop gedoe maar er verandert eigenlijk helemaal niets. * Wetgeving 2020

Stappenplan:

Om uit te rekenen hoeveel belasting u vanaf 2022 in box 3 zou moeten betalen, kunt u het onderstaande stappenplan volgen:

  1. Heeft u meer dan € 30.846 (in geval van fiscale partners geldt een bedrag van € 60.972) aan vermogen in box 3?
    a. Ja, dan gaat u door naar de volgende stap;
    b. Nee, dan is het gehele bedrag vrijgesteld en
    zijn we klaar.
  2. Maak een “foto” van uw vermogen in box 3 op 1 januari van ieder jaar en verdeel het vermogen in box 3 tussen de twee assets ‘spaargeld’ en ‘overig vermogen’. Het totale bedrag aan spaargeld vermenigvuldigt u met 0,009%. Het totale bedrag ‘overig vermogen’ vermenigvuldigt u met 5,33%. De berekende forfaitaire rendementen telt u bij elkaar op.
  3. Tel alle schulden in box 3 bij elkaar op en vermenigvuldig de som met een forfaitaire rente van 3,03%.
  4. De berekende som van punt 3 trekt u af van de uitkomst van punt 2. Is de uitkomst negatief, dan bent u geen belasting verschuldigd in box 3. Is de uitkomst positief dan, gaat u door naar de laatste stap.
  5. De eerste €400 van de uitkomst (in geval van fiscale partners geldt een bedrag van € 800) is vrijgesteld. Het restant wordt belast tegen een tarief van 33%.

 

Adviseurs en accountants
Kevin Kuiper
Belastingadviseur/Financieel Planner
https://www.stolpkab.nl/